Wisselgeld

Han Jongeneel

COLUMN


Met een tas en een winkelwagen loop ik de Jumbo uit. Daar staat een straatkrantverkoper die ik hier nog nooit heb gezien. Bij de wekelijkse boodschappen op zaterdag bij Dirk van den Broek staat altijd de zelfde verkoper en ik ben zijn vaste klant. Hij wijst me er altijd op als er weer een nieuw nummer is. Dat doet deze verkoper ook. Ik heb mijn karretje weggezet en loop langs hem naar mijn fiets. Hij houdt de krant omhoog en zegt: “Kijk, nieuw”. Ik zie dat hij gelijk heeft: dit nummer heb ik nog niet. Ik word mijn vaste verkoper ontrouw en zwicht voor deze verkoper.

Ik pak mijn  portemonnee en zoek tweevijftig. Twee euro’s heb ik, maar die laatste vijftig cent heb ik niet. Misschien in de binnenzak van mijn jas. Ik zoek, maar besef al snel: deze winterjas heb ik sinds kort weer aan, daar zit nog geen kleingeld in.

“Kunt u wisselen? Ik heb alleen twintig euro.” Ja, dat kan hij. Hij pakt mijn twintig euro aan en gaat de Jumbo binnen. Dat duurt lang. Zou hij de hele winkel zijn doorgelopen en achteraan in de rij zijn gaan staan? Als ik het zelf had gedaan was ik misschien eerder terug geweest. Met een grijns komt hij weer tevoorschijn. Hij heeft de twintig euro gewisseld in een tientje en twee vijfjes. Kennelijk was dat het maximale wat ze voor hem wilden doen. Als ik er had gestaan had ik ook wel kleingeld gekregen. Ik had het toch beter zelf kunnen doen. Maar goed, hij is nu aan zet. Die vijftien euro krijg ik vast. “Ik ga verder wisselen”, zegt hij. Ik zie dat hij een paar stappen zet in de richting van de slijterij. Wat daar precies gebeurt ontgaat me, maar hij gaat niet naar binnen. Kennelijk was het afwerende gebaar duidelijk genoeg. Maar er is hier een hele rij winkels. Ik moet nu maar wachten tot iemand hem genadig is. Intussen sla ik de Straatkrant open en begin te lezen. Het gaat over mist. Over hoe de mist in vroeger eeuwen in Amsterdam veel slachtoffers maakte doordat mensen te water raakten. En over de smog in Londen: een combinatie van mist en luchtvervuiling. Die was in 1952 zo erg, dat het zicht maar 90 centimeter was.  Het duurt weer lang, maar ik heb een leuk artikel om te lezen, dus het kan me niet schelen.
Daar is hij weer. Hij heeft een bloem bij zich, van de bloemenstal helemaal aan het einde van deze strook winkels. De enige manier om te wisselen was kennelijk die bloem kopen. De Straatkrantverkoper geeft me mijn wisselgeld, dat ik ongezien in mijn zak stop. Ik bedank hem. En ik besluit voortaan zelf te wisselen als zoiets weer eens gebeurt.
Nu is zijn winst op de transactie met mij omgeslagen in verlies. Maar hij heeft wel een bloem. Hij gaat er direct op de fiets vandoor. Het lijkt alsof hij dringend die bloem naar een geliefd iemand moet brengen.
Ik vouw mijn Straatkrant dicht, hang de tas aan mijn stuur en berg het wisselgeld op. Drie euro, hij heeft me ook nog te veel teruggegeven. En ik heb het niet eens gezien. Maar hij is weg, ik zie hem niet meer.

Nu loop ik rond met een klein schuldgevoel en met vijftig cent in de binnenzak van mijn winterjas. Voor als hij er de volgende keer weer eens staat.

Han Jongeneel, 11 december 2020